Reactie Erik Borgman

Erik Borgman reageerde op 0 december op het slotdocument van de Stadssynode:

Voordat ik overga tot een inhoudelijke reactie op het slotdocument dat Ton Meyers als voorzitter van de Utrechtse StadsSynode zojuist heeft aangeboden aan pastoor Ton Huitink, sta ik even stil bij de periode van het kerkelijk jaar. In de advent, en steeds duidelijker naarmate we het kerstfeest naderen, ligt alle nadruk op het nieuwe leven dat kan ontstaan op plaatsen waar het voorgoed lijkt te zijn afgestorven. Dit relativeert al onze inspanningen die gericht zijn op de voortgang en de revitalisering van de kerk. Uiteindelijk is de toekomst niet in onze hand, maar wij in de hand van de toekomst die van God is.
            In wat nu volgt, zeg ik om te beginnen iets over het belang van het rapport. Dan wijs ik op een witte vlek dat volgens mij het document tekent. Ten derde wijs ik op iets wat er volgens mij in het rapport principieel ontbreekt en wat hier de gevolgen van zijn.
            Bij de witte vlek en het centrale gebrek zeg ik ook steeds iets over wat er volgens mij aan te doen zou zijn. Aan het slot doe ik een voorstel over hoe de voortzetting van de vernieuwingen van rooms-katholiek Utrecht op koers kan worden gehouden.

Belang van het rapport
Het belang van het slotdocument is allereerst dat het er is en tot stand is gekomen. Er is mij gezegd dat het niet helemaal klopt, maar bij mijn weten is het de eerste keer dat er in Utrecht stadsbreed over de (toekomst van) de presentie van de Rooms-Katholieke Kerk is nagedacht. Dat is van groot belang.
            Belangrijk is vervolgens dat het slotdocument de navolging van Christus zo nadrukkelijk in het centrum zet. De kerk is van belang omdat en in zoverre zij een plaats is waar het volgen van Jezus en de navolging van Christus gestalte krijgt. Alle andere zaken zijn secundair en alleen van belang in de mate waarin zij hieraan bijdragen.
            Ten derde is het van belang dat de organisatie nadrukkelijk wordt gepresenteerd als volgend en secundair. Niet gegroeide organisatorische vormen moeten het uitgangspunt zijn, en ook geen nieuwe vormen die voor groei of succes in andere zin schijnen te kunnen zorgen.
            Belangrijk is ten vierde en ten slotte dat het slotdocument nadrukkelijk inzet op samenwerking en deze breed opvat. Niet alleen afstemming met en samenwerking met de protestantse kerken wordt bepleit, maar ook wordt nadrukkelijk aangeraden verbindingen te leggen en te onderhouden met het pastoraat en de pastores – geestelijk verzorgers - in de uiteenlopende instellingen in de stad, met het katholiek onderwijs, maar ook met organisaties op het gebied van de diaconie en met het Oude Wijkenpastoraat. Van dit laatste wordt nadrukkelijk vastgesteld dat ervan te leren valt wanneer het gaat op nieuwe vormen van kerkelijke presentie en zorg voor mensen. Dit is niet alleen op inhoudelijke gronden goed, maar in wat mij betreft ook een vorm van terechte rehabilitatie van een werksoort die de afgelopen periode door kerkelijk verantwoordelijken niet bepaald goed is behandeld.
            Maar op dit punt begint ook mijn kritiek. Juist met betrekking tot wat er verder nog aan relevante activiteiten in Utrecht is en wat er aan samenwerking mogelijk is, is het slotdocument zeker niet uitputtend. Niet alles komt erin voor en het gesprek met bijvoorbeeld het katholiek onderwijs lijkt nog maar net begonnen. Kortom: hier heeft het pastoraal team in samenwerking met de gemeenschappen nog werk te doen.

De witte vlek
Omdat het slotdocument zo nadrukkelijk inzet op de navolging van Christus, valt tegelijk op dat er in het centrum van het rapport een witte vlek zit. Er wordt zonder veel tussenstappen overgegaan van de algemeen idee van navolging naar de concrete organisatie van de kerk in de toekomst. Wat in het slotdocument over dit laatste gezegd wordt, beperkt zich dan vervolgens tot tamelijk pragmatische redeneringen. Dan gaat het toch weer over geld, aantallen katholieken en aantallen kerkbezoekers, beschikbare menskracht. Hiermee lijkt het slotdocument een grondfout – om niet te zeggen: een erfzonde – van de rooms-katholieke kerkvernieuwing van de periode na het Tweede Vaticaans Concilie te herhalen. De vraag wordt gesteld welke kerk bij de huidige situatie past. Dat de kerk inzet op verandering van de situatie en in deze zin een missionaire taak heeft, speelt geen merkbare rol.
            De witte vlek neemt de ruimte in waar volgens mij de vertaling zou moeten staan van het algemene idee van navolging van Christus in wat navolging vandaag de dag zou kunnen en moeten zijn, en waarom. Wordt van ons gevraagd arm te zijn zoals Christus arm was? Moeten wij met scherpte tong optreden tegen bepaalde visies op het bestaan? Moeten wij ons allereerst richten op genezing en vergeving? Of op contemplatie en het nemen van afstand van de waan van de dag? Voor al deze dingen is iets te zeggen en zij hebben allemaal hun plaats in het leven van de kerk, maar waar vraagt de Geest ons het accent te leggen? En wat zou dat dan – tweede vraag – betekenen voor een actuele missie van de kerk? Waar moet zij zich nu allereerst op toeleggen. Het slotdocument suggereert grond van de internetenquête die de StadsSynode: op catechese aan jongeren, maar dat is als antwoord niet voldoende. Het blijft te formeel. Waar zouden hedendaagse jongeren van verlost moeten worden, of bij geholpen, hoe weten we dat en hoe draagt de kerk daaraan bij?
            Misschien is het ontwikkelen van een zowel integrale als op onze context toegesneden visie op navolging in de huidige situatie te hoog gegrepen. In dat geval zou mijn advies in ieder geval zijn dat, wanneer werkelijk de navolging een centraal criterium moet worden, wij elkaar in katholiek Utrecht de plicht opleggen van elk voorstel dat wij doen aan onszelf en aan elkaar uit te leggen in welke zin het in dienst staat van de navolging. Anders loopt het spreken over navolging en over een missionaire kerk op basis van navolging, het gevaar versiering te blijven.

Het centrale gebrek
Met vooral de recente aanmoedigingen van paus Franciscus in het achterhoofd, moet mij van het hart dat ik bij het lezen van het slotdocument wel heel erg de vreugde van het evangelie (Evangelii Gaudium) begon te missen. De uitstraling is vooral verstandig. Er wordt gepleit voor meer samenwerking. Er wordt gepleit voor oecumene. Er wordt voor gepleit in te zetten op jongeren. Er wordt met het oog op de schaarse middelen en de beperkte energie gepleit voor organisatorische versobering. Allemaal voor zover mogelijk en dienstig. Je kunt er allemaal weinig tegen hebben, al denk ik dat de StadsSynode bij dat laatste punt iets te weinig oog heeft voor de eigenheid van Nederlandse vrijwilligers in de kerk. Die tonen en onderhouden hun engagement door te klagen over wat er niet goed gaat en kritiek te hebben op de fout van anderen. Dit eenzijdig beschouwen als energieverlies die moet worden voorkomen, leidt er gemakkelijk toe dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Samen een koor vormen is iets anders dan snel een groepje zangers bij elkaar halen wanneer de liturgie erom vraagt. Dat laatste is misschien efficiënter, maar er gaat draagvlak verloren.
            Maar los hiervan, in het slotdocument wordt niet echt duidelijk wat de motor van het kerkzijn is. Waar waait de Geest, hoe onderscheid je de geesten en hoe krijg je die wind in de zeilen? Hiervoor zijn levende lokale geloofsgemeenschappen nodig die geloven dat het hun taak is te antwoorden op Gods roeping.
            In dit verband valt mij vervolgens op dat er in het slotdocument wordt uitgegaan van wat ik een nogal eenzijdige visie vind op subsidiariteit. Gesuggereerd wordt dat er maar twee mogelijkheden zijn: sturing van bovenaf of sturing van onderop – waarbij dit laatste dan  subsidiariteit zou zijn. Maar subsidiariteit betekent niet dat je zelf maar zou moeten zien wat nodig is en dat zelf ook maar moet bedenken en uitvoeren. Subsidiariteit betekent dat wat lokaal gedaan wordt, gebeurt met de intentie bij te dragen aan en deel uit te maken van een groter geheel. Het hoort bij subsidiariteit dat er op centraal niveau gevraagd wordt of men op lokaal niveau iets wil doen of ergens aan wil bijdragen, bijvoorbeeld aan het opbouwen van gemeenschap, vanuit het inzicht dat dit alleen maar lokaal kan gebeuren. Als lokale gemeenschappen de plaatsen moeten zijn waar de gemeenschap die de gehele parochie moet zijn wordt opgebouwd, moeten niet alleen de ruimte krijgen zelf gemeenschap te vormen. Zij moeten ook aangemoedigd worden, actief in contact gebracht worden met wat anderen op andere plaatsen doen, en soms bijgestuurd worden als zij teveel gericht blijken op het platte eigenbelang en gestimuleerd moeten worden oog te krijgen en te houden op het gemeenschappelijke belang. Van hun kan moeten de lokale gemeenschappen dan ook om ondersteuning kunnen vragen van het centrale niveau met betrekking tot kennis, het leggen van verbindingen, het in contact komen met de nodige deskundigheid etc.
            Het is van belang dat duidelijk is dat niet alleen wordt toegestaan dat lokale gemeenschappen iets doen als zij dat willen. Het is voor het geheel essentieel dat er lokaal gemeenschap wordt opgebouwd. Dat betekent dat dit gestimuleerd moet worden waar het niet gebeurt en de Geest moet worden aangeblazen waar het vuur dreigt schuil te gaan onder de as. Dit impliceert – zie het vorige punt – dat er een visie moet zijn op wat navolging is en wat de daaruit voortvloeiende missie van de kerk behelst, om vervolgens lokale gemeenschappen te stimuleren zichzelf op de bij hun passende manier tot dragers te maken van deze visie en missie. Dat zullen zij echter alleen maar doen als dit aanleiding vormt tot enthousiasme en vreugde. En dan zijn we terug bij waar ik dit onderdeel mee begon: het ontbreken van de vreugde van het evangelie.
            Om de mobiliteit van onderaf te stimuleren, zou te overwegen zijn om een financieel potje af te zonderen waar lokale geloofsgemeenschappen geld kunnen aanvragen voor projecten. De criteria voor de financiering van dergelijke projecten zouden dan ontleend moeten zijn aan de visie op navolging en de daarop gebaseerde missie. Zo worden lokale gemeenschappen extra gestimuleerd zich de visie van de parochie toe te eigenen.

Toekomst
Tot slot een woord over de nabije toekomst.
            Ik heb gesuggereerd dat het werk van de StadsSynode naar mijn visie niet af is. Dat leidt niet tot het voorstel de StadsSynode in stand te houden of haar te vragen over een half jaar met een document te komen dat op bepaalde kwesties die nu zijn blijven liggen, nader in te gaat. Dat helder gesignaleerd kan worden wat er ontbreekt, is ook – en niet onbelangrijk – resultaat van het werk van de Stadssynode.
            Mijn voorstel is wel een klankbordgroep te installeren die de voortgang van de opbouw van de stadsbrede parochie volgt en over de voortgang gevraagd en ongevraagd advies kan geven. Laten we zeggen dat deze klankbordgroep halfjaarlijks samenkomt met (vertegenwoordigers van) het pastorale team en het bestuur, en dan de gang en stand van zaken bespreekt, alsmede de mogelijke knelpunten, blinde vlekken, feitelijke of mogelijke problemen. Dit beschermt degenen die het werk praktisch uitvoeren tegen de altijd dreigende tunnelvisie en maakt het mogelijk dat er nieuw gezichtspunten naar voren komen. Bovendien bieden de netwerken van de leden van de klankbordgroep het pastoraal team en het parochiebestuur de mogelijkheid gemakkelijk contact te hebben met deskundigen op een veelheid van terreinen. Ten slotte draagt een dergelijke groep zeker ook bij aan het draagvlak van voorstellen die vanuit team en bestuur komen.